Ingediende vragen

1.
Er komen steeds grotere verschillen in kansen voor kinderen: hoe zorg je ervoor dat kinderen uit de mindere wijken in hun ontwikkeling optimaal worden gestimuleerd door onderwijs, sport, cultuur en de hulp van de gemeente? Welke kennis is daarvoor nodig?

2.
Hoe leren pubers en jonge volwassenen de sterke en zwakke kanten van hun persoonlijkheid kennen? En hoe komen ze vervolgens te weten welke levenskeuzes het beste bij deze persoonlijkheid passen?

3.
Welke jongeren zijn het meest gevoelig voor “foute” (bijvoorbeeld criminele) vrienden? Wat zijn de redenen dat ze zich richten op deze foute vrienden en niet op de normen en waarden van de maatschappij?

4.
Hoe kunnen de resultaten van de jeugdwetenschappen beter worden benut door het jeugdbeleid?

5.
Kunnen we de hersenschade door problemen rond de geboorte beperken, bijvoorbeeld door het kind optimale voeding of specifieke oefeningen te geven?

6.
Welke rol spelen problemen rond de geboorte bij het ontstaan van probleemgedrag bij kinderen, en kunnen we dit al vroeg na de geboorte voorspellen met behulp van hersenonderzoek?

7.
Zijn de mechanismen voor fysieke-, psychologische- en emotionele kwetsbaarheid en veerkracht wezenlijk verschillend tussen kinderen met een aangeboren afwijking en gezond geboren kinderen?

8.
Welke programma’s tegen pesten zijn echt effectief? Moeten we ons dan vooral richten op de individuele kinderen, of veel meer op schoolklimaat en schoolregels? In hoeverre kan ICT worden ingezet worden om meer inzicht te krijgen in cyberpestgedrag?

9.
Wat kan de maatschappij doen voor jonge kinderen die al achterop dreigen te raken? Wat is de rol van kinderopvang en primair onderwijs hierbij? Is taalonderwijs voor peuters zinvol? Meteen en ook op de lange termijn?

10.
Wat is de relatie tussen sociaal-emotionele ontwikkeling en leren? Wat moet voor scholen het zwaarst wegen, het welzijn of de schoolprestaties?

11.
Is het tweetalig opvoeden van kinderen goed, en waarom? Is het goed voor alle kinderen? Is het goed om meerdere methoden van rekenen te leren en waarom?

12.
Hoe kunnen we elk kind een bij hem passende leeromgeving bieden? En deze ook nog eens in de pas laten lopen met de persoonlijke ontwikkeling?

13.
Wanneer kun je kinderen het beste iets leren? Wanneer zijn de hersenen het meest flexibel? En voor welk gedrag? Wat gebeurt er dan in de hersenen?

14.
Hoe kan het onderwijs virtual reality, e-tools en gaming devices zinvol inzetten? Welk effect heeft dagelijks opgroeien met ICT op de daadwerkelijke kennis erover? Wat moeten we als samenleving weten om kinderen ermee verder te helpen?

15.
Wat betekent de overvloed aan informatie via nieuwe media voor scholen? Verandert het leervermogen van kinderen erdoor? Kunnen ze zich inderdaad minder concentreren op bepaalde informatiebronnen?

16.
Is het erg als een puber cannabis gebruikt? Hoe kunnen we verslaving bij pubers voorkomen? Welke factoren (sociaal, maatschappelijk, lichamelijk, mentaal) dragen bij aan het risico op middelenproblematiek bij jongeren?

17.
Breken medicijnen tegen ADHD kinderen op latere leeftijd op? Wat zijn de consequenties op lange termijn van medicatie bij psychiatrische problematiek?

18.
Welke geslachtsgebonden factoren zijn van belang bij psychosociale problematiek? Waarom krijgen jongentjes vaker ADHD en meisjes een depressie?

19.
Welke rol spelen culturele en maatschappelijke factoren in de aanleg voor en de tot uitdrukking komen van bepaalde soorten psychosociale problematiek? Waarom komt bijvoorbeeld schizofrenie vaker voor bij immigranten?

20.
Doet goed voorbeeld goed volgen? Wat zijn de effecten van de relatie van ouders onderling op de psychosociale ontwikkeling van kinderen? En hoe kunnen we deze effecten verklaren?

21.
Op welke manier kan kindermishandeling een heel leven doorwerken? Denk aan: verwaarlozing, mishandeling, vechtscheidingen, geweld tussen ouders. En hoe kunnen we kinderen het beste helpen om van traumatische ervaringen te herstellen?

22.
Welke omgevingsinvloeden werken beschermend bij een kind met een genetische aanleg tot psychiatrische problematiek, en hoe kunnen we deze stimuleren door interventies?

23.
Op welke manier(en) zorgen omgevingsinvloeden ervoor dat een genetische aanleg voor problemen in de ontwikkeling tot uiting komen? Welke rol spelen epigenetische factoren hierin?

24.
Kunnen we voorspellen welke kinderen problemen gaan krijgen in denken en doen en welke factoren daarvoor een hoger of juist een lager risico geven?

25.
Is de jeugd van tegenwoordig echt meer gericht op zichzelf dan eerdere generaties? Zo ja, wat is er in opvoeding en cultuur veranderd? Is dat een probleem?

26.
In hoeverre leidt een vroegtijdige identificatie van talenten bij kinderen (bijvoorbeeld muziek, sport) tot eenzijdige ontwikkeling, en is dit problematisch?

27.
Wat zijn de oorzaken van agressie en geweld in (jeugd) sport, hoe kunnen deze structureel worden aangepakt? Op welke wijze kan sport en bewegen een duurzame bijdrage leveren aan een positief opvoedingsklimaat onder kinderen en jongeren?

28.
Is taal een medicijn? Helpt goede taalontwikkeling kinderen die moeite hebben met het onderscheiden tussen goed en kwaad? Wat betekent dat voor ons taalbeleid?

29.
In hoeverre draagt het lezen van boeken en verdere participatie in kunst, muziek, cultuur en sport bij aan de ontwikkeling van een besef van goed en kwaad onder kinderen en jongeren?

30.
Wat is de stabiliteit van individuele verschillen in functionele hersenactiviteit, en hoe verhoudt dit zich tot individuele verschillen in de cognitieve ontwikkeling?

31.
Welke hersenprocessen vergroten bij middelengebruik het risico op verslaving? Speelt dwangmatigheid een rol; gevoeligheid voor beloning, excessieve zelf-monitoring en impulscontrole?

32.
Wat is de rol van verstoringen in de activatie/remmings balans in de hersenen in het ontstaan van psychiatrische problemen, en hoe verhoudt dit zich tot niveaus van specifieke boodschappersstoffen in de hersenen (GABA en glutamaat)?

33.
Hoe werken complicaties tijdens de voortplanting, zwangerschap en neonatale periode door op de hersenontwikkeling?

34.
Kinderen maken in de eerste jaren een snelle ontwikkeling door in de manier waarop ze naar gezichten kijken en emotionele expressie en blikrichting kunnen verwerken. Welke hersengebieden sturen dit, en hoe houdt dit verband met hun sociale ontwikkeling?

35.
Wat gebeurt precies met de hersenontwikkeling als pubers alcohol drinken? En wat is het effect van alcohol, tabak of drugs tijdens de zwangerschap? Verschilt dat nog per kind?

36.
Hebben ervaringen van grootouders hun weerslag in het kinderbrein? En wat is de rol van epigenetische mechanismen?

37.
Wat doet het genenpakket met de ontwikkeling van hersencellen en verbindingen daartussen? Wat is de rol van de omgeving hierop?

38.
Hoe ontwikkelingen hersenverbindingen zich en hoe houdt dit verband met het ontwikkelen van gedrag?

39.
Is stress op de crèche een probleem? Welke stressniveaus zorgen voor een optimale hersenontwikkeling? En hoe zit dat met de effecten van stress tijdens ziekte of zelfs ziekenhuisopname?

40.
Wat voor effect hebben problemen in zien en horen op de ontwikkeling van hersenen en gedrag?

41.
Heeft het zin om bij baby’s Mozart af te spelen? Met andere woorden: op welke manier kun je de hersenontwikkeling van baby’s stimuleren?

42.
Welk effect heeft vaderliefde op een gezonde hersenontwikkeling? En moederliefde? In welk stadium? Welke hormonen spelen hierbij een rol?

43.
Hoe voorkom je dat stress tijdens de zwangerschap doorspeelt tijdens de ontwikkeling van het kind? Wat mechanismen in de hersenen veroorzaken dat en hoe kunnen die beïnvloed worden?

44.
Zijn storingen in de hersenontwikkeling – met ziekte of afwijkende gedrag tot gevolg – nog terug te draaien? En wat is de beste manier, medicatie of andere vormen van interventie?

45.
Wat zijn kritische stappen in de ontwikkeling van hersenen – bij de mens of in proefdiermodellen – waarbij verstoring in de normale gang van zaken leidt tot grote cognitieve problemen en/of hersenziektes?

46.
Welke rol spelen de hersenen in het ontstaan van probleemgedrag bij kinderen, zowel meer structureel en persoonsgebonden, zoals hyperactiviteit, dyslexie of autisme, als ook meer situationeel of leeftijdsafhankelijk, zoals risicogedrag bij adolescenten?

47.
In de complexe verstedelijkte omgeving is het belangrijk dat kinderen de weg leren vinden. Dit vereist ruimtelijk inzicht, geheugen en gerichte aandacht. Hoe ontwikkelen deze vaardigheden zich in het opgroeiende brein? Kan dit gestuurd worden?

48.
Hoe draagt spel bij aan de ontwikkeling van hersenen en gedrag?

49.
Kinderen eten vaak ongezond, hebben te weinig lichaamsbeweging en worden te dik. Ze lopen daarbij ook nog kans op diabetes. Wat doet dat met hun cognitieve ontwikkeling en de beleving van hun lichaam? Leidt dat tot eetstoornissen?

50.
Hoe ontwikkelen identiteit en persoonlijkheid, relaties en psychosociale vaardigheden zich? Hoe hangt de ontwikkeling op deze verschillende gebieden samen? Welke longitudinale modellen zijn het meest geschikt om deze samenhang te beschrijven?

51.
Wat zijn de effecten van een veranderende manier van denken over seksualiteit en gender-rollen op identiteitsontwikkeling bij kinderen? Hoe verschilt dat per sociale achtergrond en cultuur? En hoe helpen we kinderen hiermee om te gaan?

52.
Wat is nodig om kansarme kinderen kansrijk te maken? Wat kan de maatschappij doen om te zorgen dat deze kinderen niet buiten de boot vallen, radicaliseren of in de criminaliteit belanden?

53.
Hoe kunnen we voorkomen dat kinderen zich buitengesloten voelen, door hun socio-culturele achtergrond of door hun aangeboren genetische of persoonlijkheidskenmerken?

54.
Welke rol speelt de jeugdcultuur, zoals mode, games, sport en communicatiemiddelen, in het ontstaan van identiteit bij kinderen? Hoe belangrijk is die identiteit bij het dagelijks functioneren, maar ook voor de psychische gezondheid van kinderen?

55.
Twee vaders, twee moeders, een nieuwe vader of moeder, andersoortige broertjes of zusjes; het traditionele gezin is op z’n retour. Wat betekent dat voor de vorming en identiteit van kinderen? Voor hun normen en waarden?

56.
De 24-uurs maatschappij, inclusief een grote hoeveelheid lichtbronnen, zorgt voor veranderingen in slaappatronen – is dit schadelijk voor de ontwikkeling?

57.
Schuilt gevaar in een klein hoekje? Wat doet huidige leefstijl en omgeving op het microbioom en wat betekent dit voor de ontwikkeling van het kind, in gezondheid en vatbaarheid voor infecties.

58.
Wat kunnen we te weten komen over de belangentegenstellingen van kinderen en jeugdigen, ouders, professionals, en de overheid? Hoe, waarom, onder welke omstandigheden? Welke machtsverhoudingen spelen een rol? Verandert dat in de loop van de geschiedenis?

59.
Wanneer en hoe kan muziek bijdragen aan welzijn en gezondheid van hun meest fanatieke gebruikers: adolescenten en jongvolwassenen?

60.
Wat is de kracht van verhalen? Hoe zie je dat terug in de economische geletterdheid onder de Nederlandse jeugd?

61.
Wat is de invloed van de individualisering in onze maatschappij op de identiteitsontwikkeling van kinderen?

62.
Welke effecten hebben de grote migratiestromen binnen de EU, van oost naar west en van zuid naar noord, op gezondheid en welbevinden van de betroffen ouders en kinderen?

63.
Hoe ontwikkelen kinderen een gevoel van verbondenheid en betrokkenheid met meer abstracte, grotere verbanden zoals een etnische groep, een religieuze gemeenschap of een land? En zitten aan de vaak gewenste verbondenheid ook schaduwzijden?

64.
Hoe leren kinderen omgaan met diversiteit? Wanneer en waarom leiden verschillen tot tegenstellingen en conflicten? En wanneer en waarom tot acceptatie en tolerantie?

65.
De samenleving wordt steeds diverser. Wat betekent het te moeten opgroeien in een muti-culturele wereld? Zowel voor allochtone en autochtone kinderen?

66.
Welke lange termijneffecten voor identiteit en welbevinden heeft intensief gebruik van sociale media in de adolescentie?

67.
Hoe vormen we kinderen tot kritische burgers die voorbereid zijn op de uitdagingen van de nieuwe mediacultuur? Hoe zorgen we daarbij voor die kinderen die daar – door hun aanleg, of door hun omgeving- moeite mee hebben?

68.
Hoe moeten we onderwijs en opleiding inrichten om kinderen voor te bereiden op 21 eeuw, zoals belang van programmeren, om ze niet alleen consument maar ook producent te laten worden van digitale media?

69.
Kennen kinderen informatiestress? Hoe zijn ze te gidsen door de jungle aan prikkels?

70.
Hoe beïnvloeden digitale media de ontwikkeling van kinderen? Denk daarbij aan apps, games – ook de educatieve – en de smartphone. Wat zijn mogelijk positieve kanten en schadelijke gevolgen van digitaal mediagebruik?

71.
Hoe sociaal zijn social media? Kinderen lijken ermee vergroeid. Worden ze er socialer door? Wat is de kwaliteit van de contacten? Ligt hun hele leven – en dat van hun relaties – op straat? Wat vraagt dat van opvoeders en wetgevers?